De kandidaat kan in contexten analyseren dat, wanneer belangen van individuele actoren conflicteren, samenwerken en onderhandelen meer surplus oplevert voor (markt)partijen dan te vertrouwen op het nastreven van eigenbelang. Centralisatie, waarbij (collectieve) dwang het middel is om acties tot stand te brengen, kan een alternatief coördinatiemechanisme zijn voor individuele keuzes.

F1: Samenwerken

De kandidaat kan in de context herkennen en toepassen:
  • Een gevangenendilemma. 5

  • De wijze waarop de uitkomst van een gevangenendilemma tot stand komt.

  • De wijze waarop in een gevangenendilemma individuele of collectieve belangen worden geschaad.

  • Positieve en negatieve externe effecten.

  • Het gevangenendilemma in relatie tot collectieve goederen.

  • Meeliftgedrag en de manier waarop dit gedrag kan leiden tot een (negatief) extern effect.

  • Collectieve dwang en het nut ervan (sociale normen en contracten).

  • Zelfbinding en de invloed ervan bij de totstandkoming van samenwerking.

F2: Onderhandelen

De kandidaat kan in een economische context het optreden van bijzondere situaties analyseren.

  • Samenwerkingsdilemma’s bij onderhandelingen als het gaat om de verdeling van het surplus en de consequenties hiervan voor beide partijen.

  • Verzonken kosten en gevolgen van verzonken kosten voor partijen die betrokken zijn bij onderhandelingen.

5 Voor Havo beperkt het gebruik van speltheorie zich tot de volgende groep van spelen:

  • spelers bewegen simultaan;
  • spelen worden niet herhaald;
  • spelers hebben een dominante strategie;
  • spelers beschikken over dezelfde informatie;
  • er zijn nooit meer dan twee spelers.