Uit een rapport over de Nederlandse detailhandel in levensmiddelen:

Er is sprake van schaalvergroting bij supermarkten: de gemiddelde grootte van supermarkten, gemeten in winkelvloeroppervlak, neemt toe. In dezelfde periode is het aantal supermarkten licht gestegen.

Gebruik bovenstaande tekst en bron 1.

1 Toon met een berekening aan dat er tussen 2017 en 2020 sprake was van schaalvergroting bij supermarkten.

Bereken het aantal m2 per supermarkt op basis van de tabel.
(zoals in km per uur geeft het woordje “per” de deelstreep aan: km/uur)

bron 1  aantal supermarkten en winkelvloeroppervlak

  2017 2018 2019 2020
aantal supermarkten 6.200 6.331 6.474 6.386
winkelvloeroppervlakte
× 1.000 m2
4.453 4.581 4.675 4.772

bron 2   aantal supermarkten en marktaandelen in 2018

Inkooporganisatie aantal winkels marktaandeel
(in % van de omzet)
Albert Heijn 971 34,7
Superunie 1.700 28,1
Jumbo 626 19,1
Aldi 501 6,8
Lidl 425 10,9
overige supermarkten 30 0,4

Gebruik bron 2.

2 Hoe blijkt uit bron 2 dat de supermarkten van Albert Heijn in 2018 gemiddeld een grotere omzet halen dan de supermarkten die zijn aangesloten bij Superunie?

Zo’n vraag mag in woorden, maar kan ook met een voorbeeldberekening.
Bijvoorbeeld door een totale marktomzet zelf te verzinnen.

Marktanalist Daniëlle Dijkstra bespreekt de ontwikkelingen in de levensmiddelenbranche in de periode 2017-2020. De levensmiddelenbranche bestaat – behalve de supermarkten – uit een groot aantal sterk concurrerende levensmiddelenspeciaalzaken.

Dijkstra: “We zagen een stijging van de totale afzet van levensmiddelen in de supermarkten van bijna 10%, als gevolg van de hoogconjunctuur. We verwachten dat de afzet van levensmiddelen in speciaalzaken met een ander percentage dan 10% zal stijgen. De levensmiddelen bij speciaalzaken bevinden zich immers in het luxe segment.”

3 Leg uit waarom in hoogconjunctuur de afzet van luxe levensmiddelen met een ander percentage zal stijgen dan die van niet-luxe levensmiddelen.
Betrek het begrip inkomenselasticiteit in je antwoord.

Je moet “inkomenselasticiteit” gebruiken; de mate waarin de vraag reageert op een inkomensverandering.

Wat gebeurt er met het inkomen in een hoogconjunctuur? En van welke goederen zal de vraag dan relatief het meest stijgen?

1

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

  • Het totale winkelvloeroppervlak is verhoudingsgewijs meer gestegen dan het aantal supermarkten:
    Het vloeroppervlak steeg tussen 2017 en 2020 met (4.772 – 4.453) / 4.453 × 100% = 7,16%
    Het aantal supermarkten steeg tussen 2017 en 2020 met (6.386-6.200) / 6.200 × 100% = 3,00%
    of
    Het winkelvloeroppervlak per supermarkt is toegenomen:
    2017: 4.453.000 / 6.200 = 718 m2 per supermarkt
    2020: 4.772.000 /6.386 = 747 m2 per supermarkt
  • Hieruit blijkt dat de omvang per winkel is gestegen (en dat wil zeggen dat er schaalvergroting is geweest)
2

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

  • Uit bron 2 blijkt dat Albert Heijn met een kleiner aantal winkels dan Superunie een grotere totale omzet behaalt,
  • en hieruit volgt dat de gemiddelde omzet per winkel bij Albert Heijn groter is dan bij Superunie
3

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

  • In tijden van hoogconjunctuur stijgen de gemiddelde inkomens, en
  • luxe goederen hebben een hogere inkomenselasticiteit dan niet-luxe goederen
  • dus de afzet van de luxe levensmiddelen zal bij dezelfde inkomensgroei procentueel meer stijgen dan de afzet van niet-luxe levensmiddelen