Productie meten – opgave 3

Productie meten – opgave 3

Opgave 1

Van een land zijn de volgende gegevens bekend:

Omzet bedrijven € 1.400 mld.
Inkoopwaarde bedrijven € 600 mld.
Loonsom bedrijven € 550 mld.
Loonsom overheid € 280 mld.
Afschrijvingen bedrijven € 90 mld.
Afschrijvingen overheid € 30 mld.
Primaire inkomens van Nederlanders in het buitenland € 50 mld.
Primaire inkomens van buitenlanders in Nederland € 35 mld.
1 Bereken de netto toegevoegde waarde van bedrijven.
2 Bereken het BBP (bruto binnenlands product).
3 Bereken het NNI (netto nationaal inkomen).
4 Bereken hoeveel procent van het totale inkomen bij bedrijven verdiend wordt met de productiefactor arbeid (= loonquote).

Opgave 2

Bij deze opgave zien we af van het bestaan van kostprijsverhogende belastingen (zoals BTW) en kostprijsverlagende subsidies.

Van dit land zijn de volgende gegevens bekend:

Omzet bedrijven € 850 mld.
Inkoopwaarde bedrijven € 240 mld.
Afschrijvingen bedrijven € 40 mld.
Afschrijvingen overheid € 20 mld.
Loonsom bedrijven € 470 mld.
Loonsom overheid € 40 mld.
Winst bedrijven € 85 mld.
Overige primaire inkomens bedrijven € 15 mld.
Saldo primaire inkomen uit buitenland € 20 mld.
Consumptie gezinnen € 380 mld.
Consumptie overheid  € 80 mld.
Investeringen bedrijven € 85 mld.
Investeringen overheid € 55 mld.
Belasting € 120 mld.
Import € 130 mld.
Export € 160 mld.
5 Bereken het Netto Nationaal Product via de objectieve methode (= productiemethode).
6 Bereken het Netto Nationaal Inkomen via de subjectieve methode (= inkomensmethode).
7 Bereken het Netto Nationaal Inkomen via de bestedingenmethode.
8 Bereken het saldo op de Lopende Rekening van de betalingsbalans.
9 Bereken het overheidssaldo.
10 Bereken het particuliere spaarsaldo.

Opgave 1

1
omzet bedrijven € 1.400  
inkoopwaarde bedrijven  600
bruto toegevoegde waarde bedrijven € 800  
afschrijvingen bedrijven 90
netto toegevoegde waarde bedrijven € 710  
2
ambtenarensalaris = netto toegevoegde waarde overheid € 280  
afschrijvingen overheid  30 +
bruto toegevoegde waarde overheid € 310  
bruto toegevoegde waarde bedrijven (som 1) 800 +
bruto binnenlands product (BBP) € 1.110  
3
bruto binnenlands product (BBP) € 1.110  
afschrijvingen bedrijven + overheid  90 + 30
netto binnenlands product (NBP) € 990  
primair inkomen van Nederlanders in buitenland 50 +
primair inkomen van buitenlanders in Nederland 35
netto nationaal inkomen (NNI) € 1.005  
4

De netto toegevoegde waarde van bedrijven geeft aan hoeveel primair inkomen er in totaal bij de bedrijven verdiend is: € 710 mld.

De totale loonsom van bedrijven was € 550 mld.

Aandeel: ×100% = 77,5%

Opgave 2

5
omzet bedrijven € 850  
inkoopwaarde bedrijven  240
bruto toegevoegde waarde bedrijven € 610  
afschrijvingen bedrijven 40
netto toegevoegde waarde bedrijven € 570  
netto toegevoegde waarde overheid (ambtenarensalarissen) 40 +
netto binnenlands product (NBP) € 610  
saldo uit buitenland ontvangen primair inkomen 20 +
netto nationaal product (NNP) € 630  
6
loon bedrijven
loon overheid
winst bedrijven
€ 470
40
85
 
overige inkomens bedrijven 15 +
primaire inkomen in binnenland € 610  
saldo primaire inkomens uit buitenland 20 +
netto nationaal inkomen (NNI) € 630  
7

Via de bestedingen geldt:

NNP = C + I + O + E – M

NNP = 380 + 85 + (80+55) + 160 – 130

NNP = 630

8

Saldo lopende rekening betalingsbalans = (E – M)

E – M = 160 – 130 = +30 (dus een overschot)

9

Overheidssaldo = (B – O)

B – O = 120 – 135 = -15 (dus een tekort)

10

Particuliere spaarsaldo = (S-I)

Omdat S niet gegeven is, moeten we rekenen via een omweg.

Bijvoorbeeld:
(S – I) + (B – O) = (E – M)
(S – I) + -15 = +30
(S – I) = 45

Alternatief:
S = dat deel van het besteedbare inkomen dat niet wordt geconsumeerd.

S = Y – (C + B)
S = 630 – (380 + 120) = 130

(S – I) = 130 – 85 = 45

2018-09-27T15:29:19+00:00